Met een lengte van 60 tot 80 cm en een gewicht van 8 tot 10 kg was de das (Meles meles) tot een paar jaren geleden het grootste landroofdier van Nederland. Inmiddels behoort deze titel tot de wolf (Canis lupus). Lees hieronder meer over de ecologie van de das en geschikte inventarisatiemethoden.  

Wetgeving
De das geniet in Nederland van een streng beschermingsregime. De soort is nationaal beschermd door de Wet natuurbescherming (artikel 3.10) en is door geen enkele provincie vrijgesteld. In een aantal andere Europese landen is de das niet beschermd en wordt bovendien bejaagd en soms zelfs vervolgd omdat hij als een pest wordt beschouwd.

Verspreiding en geschiedenis
Rond 1980 was de Nederlandse dassenpopulatie gedaald tot ongeveer 1.200 dieren, voornamelijk door vervolging. Ter vergelijking: in 1900 leefden ten minste 12.000 dassen in ons land. In de loop van de jaren tachtig begon het aantal dassen weer langzaam toe te nemen, dankzij de opstelling van een nationaal dassenbeleidsplan met als doel de achteruitgang te stoppen en herstel van de populaties door middel van onder andere herintroductie. Tegenwoordig wonen er alweer circa 6.000 dassen in ons land. Dassen komen verspreid door Nederland voor, met uitzondering van het westen van het land.

Tegenwoordig is het grootste gevaar voor dassen het autoverkeer en de grote kanalen waar dassen soms verdrinken. Om dat te voorkomen worden waar nodig speciale dassenvoorzieningen aangelegd, zoals tunnels onder wegen en bruggen over watergangen.

 
Faunapassage en sporen

Beknopte ecologie: leefgebied, dieet, voortplanting en communicatie
De das heeft een voorkeur voor halfopen landschap met afwisselende biotopen zoals bosschages, boomgaarden, weiden en graanvelden omgeven door heggen en houtwallen. Zulke gebieden die een goed evenwicht tussen plant, dier en mens bieden dassen voldoende dekking en voedsel. Daarnaast leven dassen ook in zeer beboste gebieden en kunnen ze zich soms aanpassen aan meer open gebieden.

Een ander belangrijk omgevingselement is de bodemsituatie. Dassen zoeken gebieden met een bodem waar ze makkelijk kunnen hun burcht graven. De burcht van een das bevat meestal meerdere ingangen en de gangenstelsel kan een lengte van meer dan 300 m bereiken. De ideale gronden zijn diepe zandige en lemige gronden. Kleigronden en bodemtypen die makkelijk overstromen zijn daarentegen niet geschikt. Dassen brengen plantmateriaal naar de burcht waarmee ze hun slaapplek bedekken.

Dassen zijn alleseters en eten dus zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Als roofdier eten ze elk klein dier eten die ze te pakken krijgen, maar omdat ze niet erg snel zijn eten ze met name veel regenwormen en bodemlevende insecten zoals kevers. Bij het zoeken naar regenwormen maken ze vaak een vrij typisch wroetspoor in de grond. Ze kunnen ook een bijen- of een wespennest uitgraven om de larven te eten. Daarnaast houden ze van fruit zoals bramen, zwarte vlierbessen, kersen en pruimen. Ook eten ze ook graan zoals tarwe en mais, waardoor ze schade kunnen aanrichten aan gewassen. Ze eten echter ook slakken. 

In tegenstelling tot andere soorten van de familie marterachtigen hebben dassen een opmerkelijk social leven. Ze leven in groepen die in grootte kunnen variëren van twee tot zes volwassen dieren. De jongen worden meestal geboren tussen half januari en half maart, met gemiddeld drie jongen.

Dassen hebben een scherpe reukzin en gebruiken deze om hun voedsel op te sporen en om te communiceren. Daarvoor hebben dassen speciale klieren: een klier bij de staartbasis waarvan een muskusachtige geur komt en een anaalklier. Dassen gebruiken geuren om hun territorium te markeren en zodoende met andere nabij liggende dassengroepen te communiceren. Daarbij spelen latrines (plekken waar dassenuitwerpsel liggen in een zelf gegraven kuiltje) een belangrijke rol.

  
Dassenburcht en latrines (kuiltjes met uitwerpselen)

Dassen bouwen in de zomer en het najaar een vetlaag om door de winter te komen, een periode wanneer ze minder actief zijn. Als het erg koud is kunnen ze zelfs in een soort winterslaap komen en dagenlangs in de burcht blijven.

Inventariseren van dassen
Tijdens ons onderzoekwerk voor verschillende projecten inventariseren wij dassen o.a. door het zoeken van sporen (latrines, wroetsporen, loopsporen, wissels en burchten). Als een burcht* gevonden wordt is het vaak mogelijk te beoordelen of deze op dit moment bewoond is of niet. Burchten die al langer in gebruik zijn, zijn met herkenbaar aan de enorme aardhopen die zich naast de ingangen bevinden. Bij sommige ingangen zijn ook duidelijke sporen te zien. Er is ook vaak nestmateriaal bij de ingang te vinden. Andere sporen zoals wissels in de omliggende vegetatie, wroetsporen en latrines zijn meestal ook aanwezig in de omgeving.

Dassen kunnen ook goed worden vastgelegd door cameravallen te plaatsen. De camera’s worden langere tijd geplaatst in de buurt van de burcht*, langs wissels en in foerageergebieden. Wie geluk heeft komt een das in het veld tegen en kan een das op film vastleggen, zoals wij vorig jaar tijdens veldwerk met een warmtebeeldcamera. 


Dassen laten zich goed vastleggen met een cameraval (foto: Olivier Horiot)

Om het territorium van een dassenfamilie te bestuderen zijn er verschillende methodes beschikbaar. Met hulp van een speciaal gemaakte GPS halsband kan men alle bewegingen van een dier volgen. Meerdere dieren moeten met zo’n halsband uitgerust worden omdat ze in verschillende delen van de territorium foerageren. Een dergelijk onderzoek is tussen 2012 en 2015 uitgevoerd door J.L. Mulder langs de A27 tussen Utrecht en Hilversum, in het kader van de verbreiding van deze snelweg door Rijkswaterstaat.

*Let op, ga nooit zomaar op onderzoek uit bij burchten. Zeker in het voortplantingsseizoen zijn dassen gevoelig voor verstoring.

Foto's: Olivier Horiot / Bureau Viridis
Referentie: Mulder (2016) De dassen langs de A27 tussen Utrecht en Hilversum