De grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) is een bijzondere vis die als één van de weinige vissen nationaal wordt beschermd onder de Wet natuurbescherming. De aantallen van de grote modderkruiper in Nederland zijn naar verwachting sterk afgenomen sinds 1950 als gevolg van veranderd beheer en landgebruik, met name de intensivering van de landbouw. Het is dus belangrijk om deze vis goed te inventariseren.

Ecologie
De grote modderkruiper leeft bij voorkeur in ondiepe watergangen met een zachte bodem, kwelinvloeden en veel waterplanten. Ze hebben een voorkeur voor verlandingslocaties met een zand- of kleibodem met een sliblaag. Sloten met een dikke laag ‘week’ slib zijn veelal ongeschikt. Het leefgebied moet variatie bieden in o.a. vegetatie en diepte om zich te kunnen voortplanten en te kunnen overleven in droge of koude perioden. Paaizones zijn vaak ondiep, sterk begroeid met onderwatervegetatie en zonbeschenen. In tegenstelling tot veel andere soorten is de grote modderkruiper in staat om droge en zuurstofarme perioden te overleven, waardoor de soort voor kan komen in watergangen waar veel andere vissen niet kunnen overleven. Hierdoor ervaart de grote modderkruiper weinig concurrentie van andere soorten. De soort is voornamelijk ’s nachts en in de schemering actief en eet dan een grote variatie aan kleine waterdieren en plantenresten.

Herkenning
De grote modderkruiper is een langgerekte bruin met oranjegeel gestreepte vis. In de paartijd krijgen de mannetjes een oranje buik. Grote modderkruipers kunnen tot 30 cm lang worden, in tegenstelling tot de veel vaker voorkomende kleine modderkruiper (Cobitis taenia) die maximaal 11 cm meet. Naast de grootte zijn grote modderkruipers goed te onderscheiden van de kleine modderkruipers door tien kenmerkende ‘baarddraden’ rond de bek. Grote modderkruipers kunnen individueel herkend worden door middel van unieke vlekken op de kop en het lichaam.

 

Onderzoeksmethoden grote modderkruiper           
Gezien de beschermingsstatus van grote modderkruiper is het noodzakelijk om bij ingrepen in het leefgebied te kunnen vaststellen of de soort aanwezig is. De grote modderkruiper staat bekend als een lastig te inventariseren soort. Bij gevaar duiken ze de modder of vegetatie in, wat het extra moeilijk maakt om ze te vangen. Daarom zijn ze bijna niet te vangen met een schepnet: deze methode is dan ook niet opgenomen in het onderzoeksprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Elektrovissen daarentegen is een zeer geschikte methode om grote modderkruipers te inventariseren. Lees hier meer over elektrisch vissen.

Net als bij elke diersoort is het belangrijk om de onderzoeksmethodiek aan te passen op de ecologie van de soort. Ze zijn het meest actief in de perioden maart / april (voortplantingstijd) en augustus / september en het minst actief in de winter. Onderzoek wordt bij voorkeur uitgevoerd tussen maart en oktober. Het is belangrijk dat de hele watergang wordt doorzocht omdat ze vaak maar een beperkt deel van de watergang gebruiken.

Methode onder de loep   
Bureau Viridis heeft in 2016 in samenwerking met Datura (e-DNA-onderzoek) een vergelijkend onderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van vangtechnieken. Hieruit bleek dat het gebruik van een elektrisch visapparaat met gelijkstroom en het gebruik van e-DNA beide zeer goede methoden zijn om de aan- of afwezigheid van de grote modderkruiper vast te stellen. Bij gebruik van wisselstroomapparatuur werden tot 60% minder grote modderkuipers gevangen. Het gebruik van het schepnet leverde slechts een fractie van het aantal grote modderkruipers op. Het schepnet is totaal ontoereikend voor onderzoek naar grote modderkruiper. Van dit onderzoek is een artikel verschenen in de Levende Natuur, het artikel is hier te downloaden. Wij voeren onderzoek naar de aanwezigheid van grote modderkruiper altijd uit met elektrovis-apparatuur met gelijkstroom.

Bronnen:

  • Bij12 grote modderkruiper
  • Th. de Jong, & K. van Bochove. (2016). De Grote modderkruiper, lastig te vangen?. De Levende Natuur, 117(002), 65–69.
  • Archief Viridis